TON 39: SANTIAGO DE COMPOSTELA

(Voor nederlandse versie, scroll naar beneden)

Our road to Portugal continues through the long coastal region of the Atlantic Ocean. Sometimes we catch a glimpse of her, but she is always close by. When we cross the Pyrenees to go from France to Spain, we see how the mountains directly border the ocean. An idyllic landscape unfolds on the northern coast of Spain: snow-capped peaks, green fields and acres, charming villages, beaches and coves and the occasional town at a river mouth. Undoubtedly the late descendants of the ancient Celts live here.

The ocean plays a major role in our journey, if only to remind us of Atlantis and the Flood. Anne often talks about the two-tailed mermaid and the book by Selma Sevenhuizen, who has been researching this for years. “Could the mermaid be related to new creation?” she muses. “The Goddess who emerges from the ocean and through her womb creates a new world? I wish I had brought the book with me.” In the women’s council that she supervises most women are also involved with water, she tells me.

Once we leave the coast, the next destination of our journey comes into view: Santiago de Compostela. Centuries ago, as a young man, I walked across the Pyrenees to start hiking the Camino to Santiago, but on the first day I got lost in the mountains. When I arrived 40 kilometers later in Roncevalles, Spain, I arrived at high mass and collapsed. I had a wonderful spiritual experience, probably caused by total exhaustion. When I asked the abbot the next day if I could stay another day to rest and then continue hitchhiking, the Church Father showed me the door, his face swollen red with anger. “Get out, fake pilgrim!” It never quite settled between the church and me.

When Anne and me arrive together in Santiago, the same happens to us. We have lost contact with the ocean and end up in a gray, rainy and gloomy Santiago. Our hostel feels like a prison. We try to find a restaurant the first night, but however we search; nothing seems appropriate. Finally, we plop down somewhere, where they serve meatballs, potatoes and burnt soup. Not a good start. The next day doesn’t get any better. We want to see the cathedral but are turned away. Too late: The mass has already begun.
What has always seemed in my imagination an apotheosis of enlightenment, in reality turns out to be no more than a provincial town where the church has firmly left its mark. I’m even beginning to question the story that the apostle James – Santiago – was buried here. In 800 AD the shepherd finds a pile of bones and the local bishop believes that it must indisputably be the remains of St. James. James was beheaded in Palestine, but was taken by followers to the end of the world: Finisterra on the coast of Galicia, where Saint James had once preached. Eight hundred years later, the shepherd finds his bones at an ancient Roman necropolis, the Libredon. The church builds a church on top of it and turns it into a big circus.

Thousands, or probably millions of pilgrims from all over Europe walk to the place of pilgrimage for centuries. Walking is a pleasant activity, and making a pilgrimage too, but I have my reservations about the whole story. Usually an ancient holy site is hijacked by building a church on top of it. I’m beginning to wonder if the original site wasn’t a Celtic shrine, located somewhere beneath the mighty cathedral’s foundations.
But the story is not yet revealed. We only see stones, walls and towers. But suddenly I hear a whisper of a woman’s voice as I pass the old monastery: “Find my name!”

Anne is getting mildly depressed. “We’re not going into another church, are we? I don’t feel comfortable here.” I try to tell her that she is probably picking up the collective field from the city, and that we are tired from our endless travelling, and that everything serves a purpose, even bad experiences, etc. etc., but it’s all to no avail. At night we go to bed in our prison hostel and we both feel dispappointed and upset. The city is really starting to work on us.

At night – between waking and sleeping – I realize that the whole history of the Spanish church most likely started with our apostle James. Here lies the blueprint of what later becomes the Inquisition and the powerful Catholic Church that conquers large parts of the world by the sword. The love of Christ has been replaced by the power of the church.

“Find my name!” I remember the voice form our walk, but no matter how I try to solve this riddle, I don’t find answers. Mary? Magdalene? The Black Madonna? A Celtic goddess? The feminine? Who is buried, forgotten and exiled here under the stone walls of the cathedral?
I grab my phone and google for ‘goddess and Santiago.’ After some searching I arrive at a site with Celtic goddesses. And there she stands: She smiles at me…

“You didn’t expect that, did you?” The province of Galicia owes its name to the Celtic goddess Cale, in Latin Caliciana, in English Caelliach. It is the old crone we encountered in Scotland, near the Callanish stone circle. So probably the old necropolis was dedicated to the goddess Cailleach, the goddess of death and life. She was also honored here. Suddenly it becomes clear to me where the names Gaul, Gallicia and Portu-gal come from: It is the land of the Cailleach.

  • to be continued –

Reisverslag Portugal

“Santiago de Compostella”

Onze weg naar Portugal vervolgt zijn route via de lange kuststreek van de Atlantische Oceaan. Soms vangen we een glimp van haar op, maar altijd is ze in de buurt.
Als we de Pyreneeën doorkruisen om van Frankrijk naar Spanje te gaan zien we hoe de bergen direct grenzen aan de oceaan. Aan de noordelijke kust van Spanje ontvouwt zich een idyllisch landschap: besneeuwde bergtoppen, groene akkers en velden, lieflijke dorpen, strandjes en baaien en af en toe een stad aan een riviermonding. Hier wonen ongetwijfeld de late nazaten van de oude Kelten.

De oceaan speelt een grote invloed tijdens onze reis, al was het maar om ons te herinneren aan Atlantis en de zondvloed. Anne heeft het vaak over de tweestaartige meermin en het boek van Selma Sevenhuizen die daar al jaren onderzoek naar doet. ‘Zou de meermin te maken hebben met nieuwe creatie?’ mijmert ze. ‘De Godin die uit de oceaan komt en via haar baarmoeder een nieuwe wereld schept? Ik wou dat ik het boek had meegenomen.’ Ook in het vrouwenberaad dat ze wekelijks begeleidt zijn alle vrouwen met water bezig, vertelt ze me.

Als we eenmaal de kust verlaten komt een volgend doel van onze reis in zicht: Santiago de Compostella. Eeuwen geleden liep ik als jonge man over de Pyreneeën om de Camino naar Santiago te gaan wandelen, maar op de eerste dag verdwaalde ik in de bergen. Toen ik 40 kilometer later in het Spaanse Roncevalles aankwam zonk ik ineen. Ik was beland in de hoogmis en had een geweldige spirituele ervaring, waarschijnlijk veroorzaakt door totale uitputting. Toen ik de volgende dag de abt vroeg of ik nog een dag langer kon blijven om uit te rusten en dan liftend verder te gaan, wees de kerkvader me met een rood opgezwollen gezicht van woede de deur. ‘Eruit, nep-pelgrim!’ Tussen de kerk en mij heeft het nooit helemaal geboterd.
Ook nu ik samen met Anne in Santiago aankom overkomt ons hetzelfde. We zijn het contact met de oceaan kwijt, en belanden in een grijs, regenachtig en somber Santiago. Onze hostel doet aan als een gevangenis. We proberen de eerste avond een restaurant te vinden, maar hoe we ook zoeken; niets lijkt geschikt. Uiteindelijk ploffen we ergens neer, waar ze gehaktballetjes, aardappelen en aangebrande soep serveren. Geen goed begin. De volgende dag wordt niet beter. We willen de kathedraal bekijken maar worden weggestuurd. Te laat. De mis is al begonnen. Wat in mijn fantasie altijd een apotheose van verlichting had geleken blijkt in realiteit niet meer te zijn dan een provinciestad waar de kerk stevig zijn stempel op heeft gedrukt. Zelfs het verhaal dat de apostel Jacobus, Santiago, hier begraven zou zijn begin ik in twijfel te trekken. In 800 na Christus vind de herder een stapel botten en de plaatselijke bisschop meent dat het onomstotelijk de overblijfselen van de heilige Jacobus moeten zijn. Jacobus werd in Palestina onthoofd, maar door volgelingen naar het einde van de wereld werd gebracht: Finisterra aan de kust van Galicië, waar de heilige Jacobus ooit gepredikt had. Achthonderd jaar later vind de herder zijn botten op een oude romeinse necropolis, de Libredon. De kerk bouwt er een kerk bovenop en maakt er een groot circus van. Duizenden, wat zeg ik, miljoenen pelgrims wandelen vanuit heel Europa eeuwenlang naar het bedevaartsoord. Nu is wandelen een fijne bezigheid, en een pelgrimstocht maken ook, maar – los van het feit dat ik zelf van de route ben weggestuurd en hem nooit heb afgemaakt – heb ik bij het hele verhaal zo mijn bedenkingen. Meestal wordt een oude heilige plek gekaapt door er een kerk bovenop te zetten. Ik begin me af te vragen of de oorspronkelijke plek niet een Keltisch heiligdom is geweest, dat zich ergens onder de fundamenten van de machtige kathedraal bevindt.
Maar de geschiedenis geeft zich nog niet prijs. Het enige dat we zien zijn stenen, muren en torens. Ik hoor alleen een fluistering van een vrouwenstem als ik langs het oude klooster loop: ‘Find my name!’

Anne begint inmiddels een lichte vorm van depressie te vertonen. ‘We gaan niet wéér een kerk in, he? Ik begin me hier allerminst op mijn gemak te voelen.’ Ik probeer haar nog te vertellen dat ze waarschijnlijk het collectieve veld oppikt van de stad, en dat vele pelgrims helemaal niet zo gelukkig zijn als wordt gedacht als ze de stad bereiken, en dat we zelf een eindeloze route hebben afgelegd, en dat het heus allemaal ergens toe dient dat we hier zijn, en dat Netflix waarschijnlijk ook geen goede oplossing biedt om van haar negatieve emoties af te komen, maar het mag allemaal niet baten. We zijgen ’s avonds misnoegd en ontdaan in bed in onze gevangenis hostel. De stad begint ons behoorlijk de keel uit te hangen.
’s Nachts besef ik – tussen waken en slapen in – dat de hele Spaanse kerkgeschiedenis hoogstwaarschijnlijk is begonnen met onze apostel Jacobus. Hier ligt de blauwdruk van wat later de duistere inquisitie wordt, en de machtige Katholieke kerk die een groot deel van de wereld te vuur en te zwaard verovert. De liefde van Christus is vervangen door de macht van de kerk.
‘Find my name!’ herinner ik me van de wandeltocht door de stad, maar hoe ik ook denk, ik zou niet weten waar ik moet beginnen te zoeken. Maria? Magdalena? De Zwarte Madonna? Een Keltische godin? Het vrouwelijke? Wie ligt hier onder de stenen muren van de Kathedraal begraven, vergeten en verbannen?
Ik pak mijn telefoon en zoek op google naar ‘godin en Santiago.’ Ik kom op een site uit met Keltische godinnen. En daar staat ze: Ze kijkt me lachend aan. ‘Dat had je niet verwacht, he?’ De provincie Galicië dankt haar naam aan de Keltische godin Cale, in latijn Caliciana, in het engels Caelliach. Het is de ouroude crone die we tegenkwamen in Schotland, bij de steencirkel Callanish. De godin van dood en leven, de oude Baba Yaga. Ook hier werd ze vereerd. Wonderlijk hoe ze opeens weer op ons pad verschijnt. Opeens word me duidelijk waar de namen Galliërs, Gaul en Kelten vandaan komen. Het is het land van de Cailleach.

  • wordt vervolgd –