ANNE 53: MOON ECLIPSE

“There won’t be a thousand women climbing the mountain”, we have been saying for weeks. “But, judging by the many enthusiastic events, far more than a thousand women in the world will be tuning in.” Until the very last minute we are being informed of new events, wonderful initiatives so much appreciated, even of they didn’t make it on the world map. I feel so grateful for the many people who felt called to tune in to the Full Moon (eclipse) in Taurus and to set up a large female field. (…)

(The Enlish translation will follow soon)

MAANSVERDUISERING

“Er zullen zeker geen duizend vrouwen de berg opklimmen”, zeggen we al wekenlang tegen elkaar. “Maar er zullen veel meer dan duizend vrouwen in de wereld afstemmen, aan de meer dan honderd enthousiaste events te zien.” Tot het laatste moment komen er nog events bij, zie ik later in mijn mailbox, prachtige initiatieven die ik jammer genoeg niet meer op de wereldkaart heb kunnen zetten, net als de honderdén privé-initiatieven die van overal toestromen. Wow! Ik kan niet anders dan dankbaar zijn voor de vele mensen die zich geroepen voelen om op de Volle Maan(eclips) in Stier mee af te stemmen en een groot vrouwelijk veld neer te zetten. 

Hoe euforisch ik de dag ook begin, zodra de maansverduistering intreedt, voel ik de verwarring al ontstaan. We zouden de start van de klim met een groep mannen en vrouwen ondernemen, ceremonieel nagezwaaid door onze kloosterzusters, maar net voor vertrek laat Ton me via een berichtje weten dat hij niet met me mee de berg op zal klimmen, want dat hij nog op een Braziliaanse sjamane moet wachten. Van hem verneem ik ook dat er best wat oponthoud is aan de politiepost tussen het dorp en het klooster en de mannen die de week in het Moussa Bedouin Camp hebben doorgemaakt zijn opgetrommeld om alles zo vlot mogelijk te laten verlopen. Onze gids heeft een aantal kamelen besteld, maar de mensen die erop zouden zitten, zijn zoek en de toestroom van andere mensen blijft voorlopig uit. Ik hoop nog wat medereizigers te kunnen vinden, maar tevergeefs, en voor ik het weet, zit ik zelf op een kameel en beslist die op z’n eentje alvast richting wandelpad te stappen. Geen idee waar iedereen bijft, maar euh… ik blijk alvast vertrokken.

Ik ben blij dat ik een kameel heb genomen. Ten eerste omdat de zin die Catharina deze week van de Grote Moeder hoorde, me is bijgebleven: ‘Do you want it hard, or do you want it soft?’’ Ik besefte toen dat ik vaak voor de harde weg kies, vanuit de gekke veronderstelling dat dat me verder zal brengen – of zoiets geks. Maar als er iets is dat ik graag ombuig op deze transitiedag, dan is het dat wel. Laat de transformatie gebeuren in ease and grace. Bovendien vind ik het heerlijk om op een kameel te zitten. Ik hou van de kadans, het wekt mijn bekken, geeft me een koninklijk gevoel en roept oude tijden in me op, waarin ik misschien vaker op zo’n kameel door de woestijn reisde. Het geeft me ook de gelegenheid om mijn ogen te sluiten tijdens de rit en goed afgestemd te blijven op mijn innerlijke call: Breng de energie van de tempel tot op de top van de berg. Ik laat me nogal makkelijk verstoren door wat om me heen gebeurt, en het is een zegen dat ik deze tocht rustig en afgestemd kan maken. Zeker tijdens een maansverduistering. 

Terwijl ik langzaam maar wel de berg op hobbel, hou ik de energie die ik in de kapel van het klooster zo sterk kon voelen in me vast. Af en toe open ik even mijn ogen, als ik in het voorbijgaan een stem hoor en merk dat ik vrouwen voorbijsteek die ik ken of herken van op Facebook. “Hé, jij ook hier, wat heerlijk!”
Het is pas als ik op de top ben dat ik meer mensen zie toestromen. Wat een vreugde om elkaar zo op de berg te ontmoeten. De zon gaat bijna onder en iedereen zet zich klaar om de zonsondergang te aanschouwen. Voor ons verdwijnt de zon onder de horizon en achter ons komt de volle maan op. Als een wisseling van de wacht. De duisternis treedt in.
Het is in het schemerdonker, nog voor we avondeten, dat het me opvalt dat er best veel mannen zijn in verhouding tot de vrouwen. Er lopen ook wat andere bergbeklimmers door onze groep heen en door de wirwar van mensen is de vrouwelijke energie die ik verwacht had niet echt voelbaar. Als Ton eindelijk bovenkomt, als een van de laatsten, hoor ik dat ook de Braziliaanse sjamane het niet heeft kunnen maken om te komen. “Laat verwachtingen los”, hoor ik een stemmetje in mij. “Expect the unexpected”, blijft een van de moeilijkste regels van Open Space. Je weet dat het een essentieel deel is van het transformatieveld, en toch laten we ons er steeds weer door verrassen. 

“Waar is het vrouwelijk veld?” fluister ik Ton, als we ons na achten op de top neerzetten om samen met de vele duizenden mensen elders in de wereld af te stemmen. Het is inmiddels pikkedonker geworden en ik zie enkel de mensen rondom me, maar iets in de energie voelt verstoord. Omdat Ton en ik niet samen opgelopen zijn, hebben we niet besproken wat we zelf van de avond verwachten, maar aangezien we altijd in Open Space werken, vertrouwen we erop dat in het veld spontaan zal ontstaan wat moet ontstaan. Met mijn medezusters in het klooster zijn we het inmiddels ook gewend geraakt dat iedereen soeverein haar/zijn eigen verantwoordelijkheid en taak opneemt, dus ga ik er op dat moment nog stilzwijgend vanuit dat dat zal gebeuren. Zelf heb ik van de Azoren een talking stick meegenomen die daar in het oceaanwater tegen me aandreef, en aangezien we eerst met z’n allen de stilte in willen gaan, neem ik me voor de stok na de meditatie in te luiden om iedereen uit te nodigen te sharen of hun eigen puzzelstuk in te brengen. 
Voor ons zit een vrouw die een dwarsfluit meegenomen heeft, en spontaan vragen we haar om de meditatie in te luiden en na een uur weer af te sluiten met een stukje muziek. Ton kreeg van een Nederlandse vrouw ook een klankschaal mee die speciaal voor deze gelegenheid gemaakt is en slaat hiermee ook het begin en einde van de stilte aan. Het lijkt me perfect, muziek is de geknipte leider in dit gemeenschappelijke spel.
Plots hoor ik Ton de groep toespreken, welkom heten en de meditatie inluiden. “Hé”, denk ik, “is dat wel een goed idee?” Maar het gebeurt vanzelf en ik denk dat het ons beiden verrast. Enkele vrouwen staan op, ik voel ontstemming. Ojee. Ik hoor aan Tons stem dat hij zelf ook geraakt is en ik roep verwoed mijn eigen innerlijke leiding op. Moet ik iets doen? Iets zeggen? Werd er misschien iets van mij verwacht, en niet van Ton? Ik raak verward en probeer me te centreren. Maar net zoals hij voel ik niets.

Na de meditatie is de cohesie zoek. Mensen staan op en zoeken een ander plekje op de berg. Sommigen gaan al slapen. Iemand laat een zuiverende olie rondgaan. Ik breng nog even de praatstok in, maar de meeste mensen zijn buiten gehoorafstand. Wat is er aan de hand? Ik reik om hulp uit naar boven. Tevergeefs. Enigszins uit mijn lood geslagen, neem ik waar. Wat is het dat zich toont? Welke opstelling zet zich neer? Deze samenkomst op de berg gaat blijkbaar niet over het vrouwelijke veld, maar om de onverwachte samenkomst van het vrouwelijke en het mannelijke. En vanuit het onvoorspelbare lijkt het wel of het oude mannelijke zich nog even wil tonen en het oude vrouwelijke zich in verwardheid terugtrekt.
Of kunnen we door dit alles heen in ons hart blijven? Toegegeven, het is niet makkelijk. De verwarring heeft meer impact dan de rust. De eclips zindert duidelijk nog na. “Als je pure afstemming wil, is het niet slim om tijdens een maaneclips de berg op te gaan”, had Anna nog gezegd, waarna ze gekozen had om in het klooster te blijven. Daar valt iets voor te zeggen. 
En toch… gebeurt wat er wil gebeuren. Laat zich zien wat wil getransformeerd worden. De vraag was om deze nacht op de berg te zijn. Hoe ongemakkelijk ook, dat is de kracht van ceremonie. Niet georchestreerd, maar wel authentiek. 

Plotseling weerklinkt er gezang van vrouwen net achter de rots. Een groep heeft zich weten te verbinden en zet het vrouwelijke veld weer in werking. Een jong koppel steekt spontaan kaarsjes aan op de top. Kort daarna slingert zich een mist rond de berg die de top omtovert tot een magische tempel. La Santa Nebbia, noemt Ton het, de heilige mist die sjamanen rond een sacrale plek optrekken zodat erin gewerkt kan worden. De aanwezigheid van God, zou mijn moeder achteraf zeggen, want volgens de bijbel toont God zich vaak aanwezig als een plots opkomende mist. Het is kort na middernacht, het midden tussen de zonsondergang, de neergang van het oude, en de zonsopgang, de opkomst van het nieuwe. 
Ik overweeg even om de groep zingende vrouwen te gaan vergezellen, maar Ton grijpt naar zijn borst. “Ik heb last van de koude en de vochtigheid, mijn ademhaling gaat weer moeizaam”, zegt hij. De laatste weken heeft hij weer vaker last van longcovid-symptomen. Ik zie ook dat hij het emotioneel moeilijk heeft en – als zo vaak – een duister stuk van het collectief op zich neemt. “Ik moet de bedoeïnentent in”, zegt hij. 
Ik dacht de nachtwake zo lang mogelijk buiten vol te houden, maar op dat moment begrijp ik dat deze nacht over iets anders gaat: de Lemurische tempel omvat het vrouwelijke én het mannelijke, en het is dus goed om samen te blijven. Meer nog: misschien mogen we op deze berg nog eens helder ervaren hoe we, ongeacht onze gender, allemaal het mannelijke en vrouwelijke in ons dragen, en hoe beiden in ons nog steeds een stevig robbertje vechten om de aandacht. Kan het mannelijke verlangen naar controle, succes en resultaat in ons zich wel overgeven aan het vrouwelijke gebeuren, aan de spontane gang van zaken, aan de chaos van transformatie?

“Blijf goed bij jezelf”, hoor ik weer, “laat de groep los. Nu is je eigen proces aan de orde.”
Ton en ik kruipen dus de bedoeïenentent in. Daar is het nog donkerder dan in het maanlicht, maar toch een stukje warmer dan buiten, en we leggen ons even te rusten. Maar na een tweetal uurtjes slapen ben ik weer klaarwakker. Ik zet me rechtop in bed naast Ton en stem me af op de tempel die ik onder de aarde heb gevoeld. Ik zie het vertikale kanaal dat het diepste van de aarde verbindt met de top van de berg en nog ver daarboven, naar de sterrenhemel en de grote centrale zon. Het kanaal is open voel ik, daar hebben we met z’n allen aan gewerkt. Ieder van ons, ook mensen thuis, zo horen we later, hebben hun deel van de pijn op zich genomen en gaan ermee aan de slag, transformeren mee de doorgang die versperd was door oude pijn.

Als rond zes uur buiten de zon opgaat en andere groepen zich luidruchtig bij onze groep komen voegen, blijven Ton en ik in onze donkere cave. Het werk is nog niet klaar. Ongestoord en in stilte trekken we het licht op door alle duisternis die we nog in ons en in het kanaal tegenkomen. En opeens gaat in ons eigen lichaam de zon op. Het licht breekt door. Een nieuwe dag is opgestaan.
Let the light conquer the dark”, hoor ik Ton nog prevelen en ik voel hoe we beiden en toch elk apart door hetzelfde proces gaan.
Als we wat later de tent uitkruipen schijnt de zon boven de horizon. Een wirwar van kleurige mensen loopt door elkaar heen. Ik voel me totaal opgeladen en met een ongekende euforie in het hart loop ik naar het eettentje dat koffie en thee serveert. Ik zie mensen die ik van de hele nacht niet gezien had, ik omhels vreugdevol bekenden en onbekenden, en besef dat er veel meer volk was dan ik besefte. Achter elke rots, op verschillende verdiepingen, op meerdere lagen hebben zoveel mensen afgestemd, de verstoring en de kou doorworsteld, en de zon aan de horizon en in zichzelf zien opstaan. Ton en ik kijken elkaar lachend aan. We voelen ons blisfull, opgeladen en energiek. En tegelijk een beetje geradbraakt. Want man, man, man, wat was dat?

Als we na het ontbijt weer naar beneden lopen en de 750 trappen afgedaald zijn, sta ik nog even stil bij Elijah’s Gardens. De paradijslijke vallei waar ik een paar dagen geleden nog een grote moederlijke eenheidsveld voelde. “Een volgende keer verzamelen we niet op een berg maar in een vallei”, hoor ik één van de aanwezige vrouwen zeggen, die die harde koude berg toch maar heel onvrouwelijk vond, en starend naar de tuinen zie ik hoe waar dat is. Ja, als er ooit duizend vrouwen in bliss en vreugde willen samenkomen bij klaarlichte dag, dan is het hier in deze vallei. Of beter nog: laat dit de plek zijn waar het mannelijke en het vrouwelijke zich ooit samen in volle bewustzijn mogen wentelen in het vrouwelijke eenheidsveld. 

Maar alles op z’n tijd. Op deze vollemaansnacht mochten deze velden geboren worden. Zich aanhechten. Voorzichtig maar wel. En met de nodige confrontaties. Want je komt niet in de Lemurische tempel voor je je schaduwen onder ogen hebt gezien. “Op de berg zullen de vrouwen elkaar tegenkomen”, hadden we enkele weken daarvoor nog in een channeling gehoord, “maar ook zichzelf.” En inderdaad, elk van ons heeft in deze volle maan zijn en haar eigen schaduw mogen omarmen, om dichter toegang te krijgen tot de Sophia, de Shechina, het vrouwelijke gezicht van God. With a little help of the moon eclipse and the rocky Moses mountain.

’s Avonds houden we in het Moussa Bedouin Camp nog een deelronde rond het vuur met een dertigtal mannen en vrouwen die de berg hebben beklommen. En een voor een komen er verhalen van ontroering. En van heling. En van dankbaarheid. Dankbaarheid voor het samengaan van het mannelijke en het vrouwelijke. We horen verhalen van vrouwen die zich bijzonder gedragen en gesteund hebben gevoeld door mannen, onderweg naar de top of in de koude nacht; we horen getuigenissen van mannen die het helend vonden om dienstbaar te kunnen zijn aan het vrouwelijke; we horen verhalen waarin oude diepe pijnen worden overschreven; we horen spijtbetuigingen, liefdesbetuigingen, stuk voor stuk verhalen die bijdragen aan het opruimen van schaduwen die al lang op aarde dwalen en verdeeldheid en verwarring zaaiden. 

Ik herinner me plots de tekst die ik vorig jaar in het Katharinaklooster schreef. En zie hoe toepasselijk hij is voor wat zich hier heeft afgespeeld.

“De cave is nog dicht”, zei de tekst, “er zit nog een versperring op. Het zijn de tranen van het mannelijke”, ging de tekst verder, “maar niet alleen zijn verdriet, ook zijn kwaadheid, zijn frustratie en zijn eigenzinnigheid… Het mannelijke in ons allen denkt dat hij het beter kan, en vooral dat hij het alleen kan, zonder het oervrouwelijke. Dat probeert hij kost wat kost te bewijzen. Maar die overtuiging roept tegelijk een enorme angst op in het mannelijke hart, want diep vanbinnen weet hij dat hij door die keuze gedoemd is. En toch houdt hij – contradictorisch – halsstarrig vast aan die eigenzinnige weg. Daarom blijft het oersacrale vrouwelijke dicht. En toch is het onaangetast vanbinnen. Het is er nog in al haar magnificentie en potentie.
Om dit te helen is er iets nodig van het vrouwelijke én van het mannelijke. In ieder van ons. Van het vrouwelijke vraagt het om weer wakker te worden uit een duizend-eonen-lange slaap. Het vrouwelijke moet zich weer bewust worden van die energie en het terug wekken uit de freeze- of slaaptoestand, waardoor het volop geactiveerd wordt. Want het is er wel, maar het is in waakvlam gezet, eonenlang. Maar het bewustzijn alleen kan het weer aanwakkeren, zoals één druppel water de roos van Jericho weer kan openen. 
Het mannelijke heeft een enorme angst – en verdriet – op het hart te overwinnen, om in die luminiscente tempel binnen te gaan. Maar het mooie is dat door dat veld binnen te stappen de donkerte als vanzelf oplost. Het gaat erom die stap te durven zetten.”

Eén grote stap in die richting hebben we die nacht met z’n allen alvast gezet.