ANNE 40: LOOK DEEPER

“We hebben de eerste Baba Yaga ontmoet in Sintra, hier is de tweede”, knipoogt Ton, als we de volgende dag buiten Sintra het domein verkennen van een kennis van Noa, Greta. Met de drie Baba Yaga’s verwijst Ton naar het Russische volksverhaal The MaidenTsar, waarin de held drie Baba Yaga’s, drie oude heksen, moet trotseren. Elke Baba Yaga daagt je uit tot iets anders en hun uitdaging wordt steeds groter en elke Baba Yaga angstaanjagender. Haar honger is niet te stillen.

Waar we eerst een als jonge vrouw vermomde Baba Yaga ontmoetten, de bevallige Lorelei die alle aandacht opeist voor het vrouwelijke, ontmoeten we nu de incarnatie van de Wilde Vrouw. De Ontembare Vrouw uit het boek van Clarissa Pinkola Estes. De Sheila Na Gig. Greta is een Italiaanse wat rimpelige vrouw van in de 60 met piekerige blonde haren, een rond gezichtje, bruin getaande huid, lange flarden van kleren die al lang geen wasmachine hebben gezien en niet bepaald naar rozen ruiken. We treffen haar in haar smoezelige cabane terwijl ze met haar handen een prutje bonen zit te eten. 

Als we haar eigendom mogen bekijken – op zoek naar een geschikte plek voor een retreat – treffen we een natuurdomein dat ooit prachtig moet zijn geweest, maar er totaal verwaarloosd is gaan uitzien. Door de vele bomen en struiken is het domein erg donker, er kan nauwelijks een straal zon door het woekerend gewas. Alles is ook overgroeid door een agressieve soort bamboe, de paadjes zijn niet open, en ook de gebouwen zijn lelijk geworden, zoals moderne constructies uit de jaren zestig en zeventig lelijk kunnen worden omdat ze gemaakt zijn van te goedkoop materiaal. Ook de vertrekken zijn weinig verzorgd ingericht. 
“Hier is geen beginnen aan”, zeggen de veelbetekenende blikken die Ton en ik uitwisselen, want in verwaarloosde plekken jeuken onze vingers vaak om te beginnen opruimen. Maar dit tart alle – of tenminste onze – verbeelding. 

Tegelijk zijn we gefascineerd door het veld dat we mogen betreden, want het laat ons bijna archetypisch binnen in het huis van de ‘heks’. De wilde vrouw die geen enkele moeite doet om er mooier uit te zien dan ze is, in tegendeel, die zich wellicht goed voelt in lelijkheid, ruwheid, rauwheid, woeste natuurlijkheid, en hierin haar uiting ziet van authenticiteit. Als we een praatje met haar maken, ontpopt Greta zich ook tot een warme, liefdevolle en uiterst wijze vrouw die perfect lijkt te weten wat ze wil, ook al ziet haar domein er vrij verlaten uit. Zoals de wilde heks wel vaker laat zien in sprookjes, is eenzaamheid haar schaduwkant. Het centrum is bedoeld om groepen te huizen, maar er lijken niet veel groepen te komen. Slechts weinig mensen voelen zich goed in het huis van Sheila Na Gig. In haar sigarettenrook, haar onverzorgdheid, haar gerochel, haar directe taal. Tegelijk is het enorm bevrijdend ook die kant van jezelf te mogen laten zijn. Het lijf uit zich ongecensureerd zoals het zich wil uiten. Ook al jaagt het iedereen weg. 

Lelijkheid kan uiting zijn van kwetsuur, van pijn, van een disconnectie. Het kan uiting zijn van een blinde vlek, een verwaarlozing, een verduisterd stuk in onze ziel. Het kan ook een manier zijn om anderen letterlijk van je weg te jagen, zodat ze iets in jou niet zouden zien, een schaamte, een kwetsbaarheid, of iets moois dat zich achter een pantser verbergt tot je de moed hebt om het te vinden. Maar lelijkheid kan ook gewoon zijn wat het is: verval, het einde van iets wat mooi is geweest. Zoals ook een bloem er verlept uit kan zien. Ook in het paradijs is er vergankelijkheid, dood. En wie zegt trouwens dat dit lelijk is? 

Als ik Greta gadesla, zie ik in haar tintelende ogen humor, en liefde, en knipoog, en een pure ziel, alsof ze iedereen bewust om de tuin leidt. Ik lijk lelijk, maar kijk voorbij mijn verschijning. Iets wat de Cailleach, de donkere Moeder uit het Hoge Noorden, ons de afgelopen maanden al verschillende keren gevraagd heeft: laat jezelf niet misleiden, noch door mooie verschijningen, noch door lelijke. Niets is wat het lijkt. Look deeperIk lijk misschien woest, en jaloers, en woedend, en wraakzuchtig, maar diep in mij schuilt licht. Als je diep genoeg in de donkere poel kijkt, kom je de grootste liefde tegen. Of anders gezegd: als je door je diepste pijn gaat, ontpopt zich het omgekeerde. Yin en yang tot uitvoer gebracht. De les van de tweede Baba Yaga.

Als we de poort van het domein weer uitrijden, zien we recht ertegenover een prachtig boeddhistisch centrum liggen, sjiek afgewerkt met veel klatergoud. “Oeps, daar wil je ook niet zijn”, zegt Ton, naar zijn zonnebril grijpend. “Van te perfect word je ook benauwd. Hier lijkt het dan weer alsof de ziel ontbreekt.” 
Hoe bijzonder, die twee tegengestelden zo pal tegenover elkaar: het duistere vrouwelijke en het stralende mannelijke. Als spiegels voor elkaars blinde vlekken, zo lijkt het wel. Mag de bling-bling wat minder perfect? Mag het mannelijke zijn schaduw omarmen? En mag er weer wat zorg en verfijning in het verwaarloosde oerwoud? Mag het vrouwelijke weer gaan stralen? “Misschien moeten ze leren samenwerken”, zeg ik nog. “Zodat het mannelijke en het vrouwelijke hun troeven samenbrengen en hun pure liefde in schoonheid tot uiting brengen in de materie.” Daar heb je de hartscreatie weer.
“Misschien ligt daar onze taak”, mijmert Ton nog. “In het creëren van de Tempel van het Hart.” Het zou mooi zijn.

Maar voor we daar ooit kunnen belanden, moeten we eerst nog langs de derde Baba Yaga… (lees verder)