ANNE 36: NEVER STOP WONDERING

(English version will follow soon)

Terwijl Ton tijdens onze afdaling naar het zuiden steeds meer aanwijzingen krijgt over de ware oorsprong van de Kelten (zie zijn blogs) en elke ochtend onvermoeibaar in de pen klimt, krijg ik geen letter op papier. Ik ben elke avond moe van het rijden en vind de verplaatsingen en vele indrukken al voldoende om te verteren. Wel voel ik dat de aanwezigheid van de oceaan me deugd doet. De zon schijnt, en ik heb al wel vaker ervaren dat de aanwezigheid van water, zon, wind en zand – de vier elementen – me in evenwicht en bij een dieper authentiek stuk van mezelf brengen. Uit het hoofd, naar het lijf. 

Als we in Noord-Spanje langs Santiago de Compostela rijden – weg van de zee, deze keer, en ook weg van de zon – voel ik me prompt superchagrijnig. Ik kan mijn draai niet vinden in de stad, vind er niks gezelligs aan, en de onderdrukkende katholieke dominantie die er nog steeds voelbaar hangt, geeft me de creeps. De kathedraal op zich is mooi en licht, maar als we uitzoeken waar de echte krachtplek van de stad is, komen we in een andere kerk terecht, tegenover de kathedraal: de Iglesia de San Pelayo de Antealtares. 

De krachtplek is in feite een groot ommuurd vierkant, bestaande uit een kerk en adbij en we voelen dat we in de tuin van de abdij moeten zien te belanden. Maar de enige ingang die we kunnen vinden, is die van de kerk. Die is zodanig donker en deprimerend dat ik op dat moment voor eens en voor altijd beslis dat ik nooit of te nimmer nog een kerk ga betreden. Ik zei het al veel eerder, maar laat me telkens toch weer vangen. Maar klaar nu. Het is genoeg geweest met die donkere patriarchale macht van de kerk, het sublimeren van die Jezus aan zijn kruis, alsof het de normaalste zaak van de wereld is om een beeld van een gefolterd mens boven je deur te hangen. Klaar met die martelbeelden. Genoeg met dat duistere lijden. Misericordia, misericordia, hoor ik door mijn hoofd galmen als ik de kerk doorloop. Het woord betekent medelijden, barmhartigheid, maar klinkt als vloek en verdoemenis in mijn oren. Stop. Genoeg. Been there, done that, met z’n allen. We bezoeken nog een klein aanpalend museumpje, waar bijna alleen maar vrouwelijke afbeeldingen staan, wat verraadt dat deze plek een vrouwelijke basis heeft. Maar ook van deze beelden word ik niet bepaald vrolijker. 

Tegen onze gewoonte in hebben we twee nachten geboekt in ons hotelletje, wat betekent dat we hier nog een extra dag moeten blijven, maar de volgende dag ben ik zo mogelijk nog depressiever. Het is koud en regenachtig buiten en ik sleep me neerslachtig verder.
“Ik weet echt niet wat er is”, zeg ik tegen Ton. “Maar als je me zou zeggen dat ik vandaag dood mocht gaan, ik zou het niet erg vinden.” Nu ken ik wel een vorm van neerslachtigheid en melancholie in mezelf. Het sluimert ook een beetje in de voormoederlijke lijn. Maar zo donker heb ik me zelden gevoeld. “Ik denk ook niet dat ik er echt iets aan kan doen”, zeg ik nog. “Ik moet er gewoon door.”

Op het moment zelf heb ik geen idee wat me overvalt, maar achteraf gezien lijkt het wel alsof ik door een zwarte laag van emoties of geschiedenis door moest, om een diepere, lichtere laag te kunnen bereiken. In de stad en in mezelf. Ook in mijn eigen leven lijk ik aan het einde van een lange cyclus te zijn beland en klaar te worden gestoomd voor een heel nieuw begin. Misschien krijg ik deze ervaring symbolisch nog mee, samen met duizenden en duizenden pelgrims die elk jaar weer de route naar Compostela lopen en alles wat ze willen achterlaten in de stad dumpen. “Waar ben ik klaar mee? Hier zie, je mag het hebben.”  En dumpen maar, in die stad.
“Voor veel pelgrims is Compostela niet bepaald een vrolijke ervaring”, weet mijn moeder me via whatsapp te vertellen, als ik haar schrijf dat de stad me zo deprimeert. Mijn moeder is erg belezen en waar we ook zijn, onderweg, ze weet er altijd wel iets over te vertellen. “Het gaat hen eerder om de tocht dan om de bestemming”, zegt ze nog. Iets wat we overigens zelf ook vaak ervaren. “Veel pelgrims stappen nog een dag verder tot ze de kust bereiken”, laat een vriendin me dan weer weten. “Daar vinden ze een veel lichtere energie, aan het water.” Er is dus hoop aan de horizon. 

Als we de derde dag opstaan en de zon schijnt, lijk ik ergens door te zijn geraakt. Muzikanten spelen een vrolijk muziekje, er lopen gek verklede mensen op straat, en we vinden een hip eettentje waar we lekker vegan kunnen eten. Als we voor vertrek nog een laatste keer rond de ommuurde krachtplek stappen in de hoop alsnog een opening te kunnen vinden, voel ik binnenin de abdij iets keren. Alsof in de abdijtuin een fontein ontspringt en in de fontein een jonge vrouw in een witte jurk wentelt als een derwisj. In haar wenteling strooit ze bloemen om zich heen, het beeld van de lente zelf. Waar we de dagen daarvoor in de oceaan de donkere crone ontmoetten – zij die bereid is om iedereen de zeemandsdood in te jagen zodat we opnieuw kunnen beginnen – lijkt het of eindelijk de maiden weer mag opstaan, de prille jonge vrouw die het nieuwe begin inluidt. 
Steeds weer opnieuw krijg ik in mijn leven te maken met die twee beelden: het oude vernietigende en het zuivere creërende vrouwelijke. De zwarte en de witte godin. De overgang van winter naar lente. De overgang van dood naar leven. Of hoe in het meest duistere punt van destructie de kiem ligt van het nieuwe. Wellicht een metafoor voor deze tijd.
Misschien hoef ik die depressiviteit niet meer mee te dragen, bedenk ik en in de geest spreek ik mijn voor-voormoeder toe. Misschien eindigt hier wel een genetische lijn van neerslachtigheid, die ik al veel te lang gedragen heb. Het is tijd voor de lente, begot.

Aan de andere kant van het gebouw gaan we nog even tegen de muur aan zitten, om de beelden die we ontvingen te integreren. Als ik naar beneden kijk, zie ik tussen mijn voeten een plasje water met een klein verlaten rozenblaadje. Terwijl in de verste verte geen rozenstruik te zien is. Ik glimlach, want ik hou van die kleine tekens onderweg. Never stop wondering, is de baseline van mijn whatsapp-account, en het is ook mijn levensslogan. Als je de godin zoekt, zal je ze altijd ergens vinden. She speaks in details. Wie de kruimels volgt, vindt het pad.

(Wordt vervolgd)